Cadetten en Scholieren

Cadetten (14 en 15 jaar)
Scholieren (16 en 17 jaar)

Vanaf de Cadetten ga je je stilaan specialiseren. Je kiest een trainingsgroep in samenspraak met de trainers en je ouders.

Werpnummers

Kogelstoten

Het de bedoeling om een zware, ijzeren bal (de kogel) zo ver mogelijk weg te stoten. Je mag niet met de kogel gooien, dus je duwt de kogel vanuit je nek weg. Dat gebeurt in een cirkel. De stootrichting wordt begrensd door een witte stootbalk.
De kogel heeft een verschillend gewicht naargelang de leeftijd

Discuswerpen

De discus wordt geworpen vanuit een betonnen ring. Rond de ring staat een werpkooi van gaas, met een opening van enkele meters breed.
Het is de bedoeling om de discus na anderhalve draai in de discusring op de juiste manier, met kracht, techniek en een goed controle over het lichaam, zo ver mogelijk weg te werpen.

Speerwerpen

Bij het speerwerpen gebruik je een aanloopstrook om snelheid te ontwikkelen en om de speer zo ver mogelijk te werpen. Dat gebeurt bovenhands.
De speer moet in een vrij smalle sector landen, waarbij de punt van de speer het eerst de grond moet raken.

Hamerslingeren

Bij het hamerslingeren slinger je een kogel, die bevestigd is aan een staalkabel met een handvat, zo ver mogelijk weg. De atleet draait minstens tweemaal met zijn kogel door de ring voordat hij de ijzeren kogel aan een staaldraad lanceert. De ring is omgeven door een werpkooi van gaas, met naar de werprichting een opening van enkele meters breed.

Springnummers

Verspringen

Na een aanloop spring je zo ver mogelijk. Dat doe je door zo hard mogelijk aan te lopen en zo dicht mogelijk bij de lat af te zetten, en dan te landen in de zandbak.

Hinkstapspringen

Na een aanloop en de afzet moet je eerst landen op dezelfde voet als waarmee je afgezet hebt (hinksprong).
Daarna maak je een stap, waarmee je juist op je andere voet terechtkomt.
Ten slotte maak je een sprong, de landing volgt in de zandbak.
De afstand van de eerste afzet tot de laatste landing is bepalend voor de uitslag.

Hoogspringen

Het de bedoeling dat je zo hoog mogelijk springt. Je springt over een lat die op een bepaalde hoogte tussen twee staanders ligt en valt op een dikke mat.
Je hebt drie pogingen om over de lat te springen. Als het je is gelukt, wordt de lat hoger gelegd en mag je nog een keer proberen over de lat te springen. Ook daar heb je weer drie pogingen.
De winnaar is de persoon die over de hoogst gelegde lat gesprongen is.

Polsstokspringen

Polsstokspringen is met behulp van een flexibele stok zo hoog mogelijk over een dwarslat springen. De dwarslat heeft een lengte van 4,5 meter en is zo geplaatst dat ze bij aanraking naar beneden valt.
De atleet steekt de stok in een insteekbak onder de lat, waar ze niet kan wegschuiven. Door het plotselinge stoppen en de afzet van de atleet veert de stok met de springer omhoog. De atleet zwaait zijn benen over de lat en gooit de stok terug. Achter de lat ligt een dikke mat zodat hij zacht neerkomt.
Na drie opeenvolgende mislukte pogingen word je uitgesloten, op welke hoogte dan ook.

Loopnummers

Sprint 100 m, 200 m en 400 m

Sprinters moeten beschikken over een zekere ‘explosiviteit’ om vanuit stilstand in een startblok zo snel mogelijk op volle snelheid te komen. Die snelheid moeten ze de hele race weten vast te houden. De 100 m is het meest aansprekende looponderdeel.

800 m, 1000 m, 1500 m, 1 mijl en 2000 m

Dit noemen we ook wel halve fond. Middenafstandslopers combineren uithoudingsvermogen met een hoge snelheid, taaiheid en kracht. Omdat de atleten niet in een eigen baan lopen is de uitgangspositie in de eindfase van de wedstrijd van groot belang voor de overwinning.

3000 m, 5000 m, 10.000 m en 1 uur

Dit noemen we ook wel fond. Langeafstandlopers hebben vooral een bijzonder groot uithoudingsvermogen nodig, gecombineerd met een goede technische loopstijl en, om te winnen; een goede strategie.
De langeafstandslopers leggen de rondjes slechts een paar seconden langzamer af dan de sprinters maar weten dat wel veel langer vol te houden.
Ook in de voorbereidende training van een langeafstandsatleet worden heel wat kilometers afgelegd.

Horden 100 m (vrouwen), 110 m (mannen) en 400 m

De hordeloop is een combinatie van een loop- en een springonderdeel. De lopers komen tijdens hun sprint op regelmatige afstanden een horde (atletiekhekje) tegen.
Bij de mannen (110 m) is de hoogte van dat obstakel 106,7 cm. Bij de vrouwen is het, over 100 m, 84 cm hoog. Bij een wedstrijd over 400 m worden de hordes lager gezet.

Estafettes 4 x 100 m, 4 x 200 m, 4 x 400 m, 4 x 800 m en 4 x 1500 m (mannen)

De estafette (of aflossing) is het teamonderdeel binnen de atletiek.

Bij hun snelle race moeten de atleten op volle snelheid een estafettestokje kunnen doorgeven binnen een vastgesteld wisselvak. Een estafetteploeg op de baan bestaat uit vier personen.

Steeple: 2000 m (vrouwen) en 3000 m (mannen)

De steeple is een hindernisparcours, met houten balken en per ronde een waterbak. Naast uithoudingsvermogen is ook de coördinatie van de atleet van groot belang; en dat wordt tegen het einde van de wedstrijd nogal eens een probleem.

Deelnemen aan wedstrijden

VAC moedigt het deelnemen aan wedstrijden aan.

Trainingen

Dinsdag: 19.30 – 21 uur
Woensdag: 18 – 20 uur
Vrijdag: 18 – 20 uur
Zaterdag: 10 - 12 uur
Zondag: 10 - 12 uur

Begeleiders

Pascale Kockaert (coördinator)
kogel /discus
Danny Polet
ver/sprint
Danny Van Kerckhoven
sprint
Erik Schroven
midden- en lange afstand
Joris Lauwers
horden
Kevin Rollier
speer
Kristien Bierebeeck
midden- en lange afstand
Nathalie Andries
polsstok
Stijn Stroobants
hoog